Dominee J. Versteegt.

 

Dominee Johannes (Jan) Versteegt is een alom gerespecteerd lid van onze familie. Hij werd geboren op 10 oktober 1889 in Katwijk aan Zee en trouwde begin 1914 met Bets Kruithoff (later vaak tante Bets genoemd). Op de foto hieronder zien we hen beiden. Ze kregen 2 kinderen: Wilhelmina (07-05-1921) en Johannes (26-03-1928)

Na eerst enige tijd als stuurman gevaren te hebben op de grote vaart heeft hij zich op de studie geworpen om predikant te kunnen worden. Het lukte hem heel goed om deze beide zaken te combineren. Hij stond dan ook bekend als de schippers-dominee. Vooral omdat hij naast het normale predikantschap in Nieuwerkerk aan de IJssel en later in Loosdrecht voor 2 dagen per week het evangelie verkondigde onder de schippers in de haven van Rotterdam. Hijzelf had ook een anker getatoeŽerd staan op de vuist van zijn hand.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van het werk van G.E.O.S. (Gereformeerde Evangelisatie Onder Schippers) het boekwerk Tegen wind en stroom.

Hij heeft altijd een sterke band met Katwijk aan Zee behouden. Ieder jaar probeerde hij wel een bezoek te brengen aan zijn geboortedorp en maakte dan regelmatig van de gelegenheid gebruik om op het strand te preken, waar zoals op deze foto te zien is veel belangstelling voor bestond. 

Dominee Jan Versteegt had meerdere talenten. Deze foto, getiteld "Met Moeder samen", is omstreeks 1928 door hem ingezonden naar een fotowedstrijd "Kunstlicht", zoals blijkt uit de tekst op de achterkant van de foto . We zien op de foto zijn vrouw (Bets Kruithof) en dochter Wilhelmina.

Zijn auteurstalenten bewees hij door het schrijven van een jeugdboek getiteld: "Jan Molstra, een verhaal van het water".

De 2e wereldoorlog betekende een dramatische wending in zijn leven. Hij is verschillende keren opgepakt geweest om verantwoording af te moeten leggen over de inhoud van zijn redactionele stukken in het Christelijke Zeeliedenblad Quo Vadis en zelfs over zijn preken. Hij is in juni 1945 overleden.

Het is niet eenvoudig een goede beschrijving van zijn leven te geven. Daarom zal ik de letterlijke tekst van een  brief van zijn dochter Wilhelmina uit mei 1946 hieronder volledig weergeven. Deze brief, met daarin een uitgebreide levensbeschrijving, is door haar geschreven als toelichting en aanvulling op het verschijnen van 2 preken van hem die hij in zijn periode van gevangenschap heeft geschreven. 

 

  Levensbeschrijving van Dominee Versteegt door zijn dochter Wilhelmina.

Mijn vader werd geboren 10 oktober 1889 te Katwijk aan zee. Zijn geboorteplaats heeft altijd grote liefde van zijn hart behouden, er ging dan ook geen jaar voorbij of hij bezocht haar. Zijn jeugd was als van ieder ander Katwijks kind. De zee trok hem aan en op 12 jarige leeftijd ging hij dan ook het zeegat uit. De eerste reizen waren op een logger, maar al spoedig trok zijn hart naar de groote vaart. Hij heeft als stuurman gevaren en zoo heel wat van de wereld gezien en heel veel menschenkennis opgedaan, wat hem in later jaren goed te pas kwam. Zoo vergleed zijn leven betrekkelijk rustig, totdat in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak en ook hij, toen juist 3 maanden getrouwd, opgeroepen werd om ís-Lands grenzen te bewaken. Deze mobilisatie tijd heeft een grote verandering in zijn leven gebracht. Reeds eerder was de wens bij hem opgekomen predikant te worden, doch van alle zijden werd hem dat ontraden, maar Gods wil en weg met hem was anders dan de mensen dachten en beschikten. Al spoedig begon hij, daar hij in Noord-Brabant lag, waar weinig Protestantse kerken waren, 's zondags met enkele anderen een preek te lezen en 's avonds in het militaire tehuis dagsluiting te houden. Na enige tijd hoorde Ds.H.Jansen, leger en vloot predikant, ervan. In enkele gesprekken kwam hij achter wat Vaders wens en begeerte was. Hij zegde hem alle hulp toe en raadde hem aan het preken alvast eens te proberen. Zondags voor de militairen. Hij kreeg steeds meer vrije tijd om zich aan de studie te geven, tot hij na drie jaren dienst naar huis toe mocht. Na enige tijd gestudeerd te hebben, kwam het verzoek van de gemeente Ouddorp, op het eiland Goeree, en de gemeente als lerend ouderling te komen dienen,hetwelk hij inwilligde. Ruim 5 jaar heeft hij daarmee veel vrucht gearbeid en heeft toen het zesde beroep, dat op hem uitgebracht werd, dat naar Grote Lindt bij Zwijndrecht,in 1923 aangenomen. Ook hier mocht hij Gods zegen op zijn werk rijkelijk ondervinden. De gemeente werd echter zo groot, dat zij nodig een predikant moest hebben. Toen dan ook het beroep van Nieuwerkerk aan de IJssel kwam in 1928, werd dat aangenomen. Het bleek dat het Gods weg was, want wat in Grote Lindt al een paar maal tevergeefs was geprobeerd, werd daar verkregen, het zo vurig ten volle begeerde predikanten ambt werd daar bevestigd. Wonder mooie dagen waren dat, vol van de zegen des Heren. Spoedig werd eerst meer op eigen initiatief, en later ondersteund door de kerken, een begin gemaakt met de evangelisatie onder de schippers in de havens van Rotterdam. Twee dagen in de week stond de gemeente van Nieuwerkerk haar predikant daarvoor af. De grote liefde voor zee en water en het tenvolle kennen van het leven, dat daar geleid werd, bracht hem heel gemakkelijk in nauw contact met deze mensen. Veel Liefde heeft hij dan ook mogen ondervinden.

Een film werd gemaakt van het werk in de havens en door veelzijdige ontwikkeling en interesse kon hij ook dit werk verrichten. Hoezeer dit alles de liefde van zijn hart had, toch kwam Nieuwerkerk niets te kort.

Toen een beroep kwam uit Nieuw-Loosdrecht,dacht niemand, dat de schippers-dominee, die zo met zijn hart aan het water hing, gaan zou naar een plaatsje op de heide. Maar zo als hij zelf zei, God riep hem daar en daarom ging hij. Het werk in Rotterdam werd echter aangehouden, ook vanuit Loosdrecht ging hij 2 maal per week de havens in. Hij kreeg het ontzettend druk, maar met overgrote energie en liefde bezield, bracht hij alles voor elkaar in Gods kracht. Door de Generale Synode werd hij als deputaat benoemd voor het werk onder zeevarenden en door het Gereformeerd Comitť Handelsmarine (GE_CO_HA_MA) benoemd als heer voorzitter, zodat zijn tijd altijd druk bezet was.

Nooit zal ik 10 Mei 1940 vergeten, toen hij door den verrekijker turend de Duitse tekens op de vliegtuigen herkennend, met een asgrauw gelaat uitriep: "Vrouw...Kinderen;;;het zijn moffen, we hebben oorlog!" Hoe vreselijk deze oorlog voor ons land voor hem en voor velen met hem wezen zou kon hij toen nog niet weten, maar het was als of de schaduw ervan zich al aftekende op zijn gezicht. Hij kreeg het weer razend druk, de gehele burger bevolking van Loosdrecht moest geťvacueerd worden. Bekend om zijn organisatorisch talent had men hem tot hoofdleider be≠noemd. Alles marcheerde prima, daardoor had hij de aandacht getrokken van de ondergrondse strijdkrachten, die na de capitu≠latie hun werk gingen beginnen. Al spoedig werd hij de plaatse≠lijke commandant van Loosdrecht en begon zijn gevaarlijk, maar nodig werk. Reeds begin 1941 werd hij in Utrecht bij de S.D. ontboden om rekenschap af te leggen van een artikel in QUA VADIS? Het orgaan van de Ned.Chr.Zeelieden Ver. waarvan hij hoofdredacteur was. Hoewel angst en vrees ons en zijn hart vervulde keerde hij veilig tot ons terug. Doch op Vrijdagavond 26 September 1941 half acht werd hij door de duitsers gehaald uit de pastorie, zijn naam was genoemd in verband met illegaal werk. Wij dachten dat wij afscheid namen voorgoed. Die zelfde avond werd hij overgebracht naar het       "Oranje Hotel" te Scheveningen. Elf weken, tot 12 December duurde deze gevangenschap. Met vele anderen werd hij losgelaten. Geheel zenuw overspannen keerde hij tot ons terug, maar met rust en goede verzorging hielpen hem met Gods kracht er weer boven op. 1 September 1942, na 8 maanden dus, mocht hij zijn gehele ambtswerk weer beginnen, maar dat heeft niet lang mogen duren. 13 September moest hij een predikbeurt vervullen in Amersfoort voor Ds.Popma, die in gijzeling zat. Na de morgen dienst, waarin hij preekte over Rom.8 vers 28, "En we weten, dat diegenen, die God liefhebben alle dingen medewerken ten goede namelijk, diegene die naar zijn voornemen geroepen zijn,"  Werd hij gevangen genomen. De aanklacht tegen hem luidde, dat hij staats gevaarlijk en een hetzer was. Deze aan klacht werd gedaan door een kerkganger, lid van de N.S.B. en doorgegeven aan de burgemeester, die de kampcommandant van Amersfoort weer waarschuwde. Deze nam de "moeite" hem persoonlijk gevangen te komen nemen en heeft hem ook beestachtig behandeld. Zo uit het vrije leven werd hij opgesloten in een bunker bijna geheel onder de grond waarin men niet eens goed rechtop kon staan. Behalve de ruimte voor een bed was er nog een gangetje van plm. 50 cm. breedte.

Hij leefde er op water en brood zoals we juist enige tijd geleden van een predikant vernamen, die ook gevangen zat en vlak bij die bunker werkte, zong hij dagelijks met luide stem, psalmen tot Gods eer.

Ruim 8 weken heeft hij in die bunker doorgebracht. Men vertelde ons, dat velen reeds na ťťn week volslagen krankzinnig waren. God had hem die kracht gegeven, het blijmoedig te ondergaan. Eindelijk uit de bunker gekomen, deed de kamp commandant al zijn best, om hem, het toch alzo zware leven, nog zwaarder te maken. Hij werd ingedeeld bij het Joden commando. Weinig weten we hiervan, wel dit dat het, het verschrikkelijkste van het hele kamp was. Toen hij erg verzwakt was hebben enige mede gevangen het voor elkaar gekregen, dat hij bij het aardappelschil commando ondergebracht werd.

Begin Januari 1943 werd hij met veel anderen naar het kamp Vucht overgebracht. De toestand was daar zeer slecht, velen stierven er, vooral door gebrek aan drink water. Doch hij had het nu niet meer slechter dan anderen, daar de commandant in Amersfoort gebleven was. Nadat de zaken daar wat geregeld waren mochten wij pakjes gaan sturen, en kreeg hij bovendien een plaats in het levensmiddelen magazijn. Zijn verloren krachten kwamen terug. Zondags begon hij te preken tussen de bosjes en 's avonds met enkele dagsluiting te houden. Heel gevaarlijk maar heel nodig en mooi werk was het. Uit brieven die wij voor en na zijn sterven ontvingen weten wij, dat hij zeer velen tot rijke zege is geweest. Verschillende keren was hij ziek maar altijd had hij nog een woord van troost die gekomen waren om hem te troosten. De gemeenschap der heiligen werd daar zeer sterk ervaren, zo viel het zelfs voor, dat een Jood gedoopt werd, tus≠sen kisten op een oude zak geknield, door een Herv.predi≠kant, met als getuigen een Geref.predikant (mijn vader) en een Rooms Katholieke jongen. Enkele malen ontving hij straf voor het preken maar hij kon het toch niet laten. Naar men ons vertelde had hij dit leven nog lang kunnen vol houden, maar 5 september 1944 kwam, honderden werden dood≠geschoten, enkele vrijgelaten en de overige naar Duitsland gebracht, waaronder ook hij zich bevond.

Het concentratie kamp OraniŽenburg vlak bij Berlijn was het doel van  de tocht. De toestand was daar≠voor een concentratie kamp in Duitsland, waar het meestal slechter was dan in Vucht,

≠voor hem vrij goed, vooral toen bekend werd dat de geestelij≠ken niet hoefden te werken, maar studeren mochten. ≠Ver≠schil≠len≠de boeken waren zelfs ter beschikking. Van papier en pot≠lood voorzien door een mede gevangene, heeft hij toen preken gemaakt o.a ook deze. De anderen zijn zoek door het versprei≠den in het kamp zoek geraakt. Het preken schrijven werd als studie wel toegestaan, maar het verspreiden daarvan was streng verboden. Men deed het echter omdat velen er naar snak≠ten om ze te mogen lezen. Toen in 1945 de Russen Berlijn nader≠den werden de gevangenen overgebracht naar andere kampen, de gees≠telijken naar Bergen-Belsen, het verschrikkings kamp bij uitstek. Vreselijk waren de toestanden daar, alles even vuil en de tyfus eiste dagelijks zeer vele slachtoffers. De geestelijken bleven apart. Het eten was zeer slecht,iedere dag minder, eindelijk werd nog maar ťťn boterham in de 10 dagen verstrekt.. Van de 29 geestelijken, die 5 februari daar aangekomen leefden er met de bevrijding op 15 april nog slechts 3, waarvan nu nog 1.

Met de bevrijding waren allen in het kamp zo zwak, dat het nauwelijks tot hen door drong wat er gebeurde. Doch op 1 mei 1945 kon mijn vader ons schrijven dat hij alweer wat opknapte. Toch was hij nog zo zwak, dat hij niet kon geloven ooit weer thuis te komen. Half mei werd hij naar het ziekenhuis te Hildesheim Duitsland overgebracht. De verzorging was daar zeer best maar de doorgestane ellende te groot. Toen hij erg zwak was, schreef hij nog enkele regels aan ons en de inhoud van dat schrijven was, dat God geen last op legt te zwaar om te dragen en dat Zijn wil wijs en goed is.

  Een dominee uitgezonden door het rode kruis, die hem in het ziekenhuis bezocht, berichtte ons, dat hij diep geroerd was bij het heerlijke getuigenis dat vader uitsprak toen hij hem moest mededelen, dat Ds.Boot uit Delft, zijn vriend en collega met wie hij al die bange tijd had doorgemaakt overleden was. Een week later 29 juni 1945 is hij op het kerkhof te Hildesheim begraven.

Hij juicht nu van alle leed verlost voor de troon van God, wiens lof in deze twee preken bezongen word en die naar wij hopen nog vele tot zegen mogen zijn en zo nog na zijn dood getuigen van wat hem het liefste was, de grote liefde van de God voor de arme zondaren.

   

W.Aangeenbrug-Versteegt.

Sassenheim, Mei 1946

 

Op 23 november 1945 werd door Jan de Geus uit Nieuw-Loosdrecht het volgende gedicht opgedragen aan ds. Versteegt:

Zijn schouders bogen onder 't sjouwen
der vrachten steen in 't kamp van Vught.
Zijn lotgenoten gaven scheldend
en vloekend aan hun woede lucht.
Ze bromden stil, en strak verbeten
lag haat en wanhoop om hun mond...
en altoos was het weer die ťne
die 'n woord van troost en vriendschap vond.

En staande tussen hopen stenen
- als 't kon verbrekend 't moeizaam werk -
bracht hij de boodschap van den Hemel,
zo hield hij vele malen kerk.
Zťlf sterk in God, wist hij te sterken,
wie zwak was, moedeloos en klein;
hij wees hen naar een open Hemel:
"Het zal hiernamaals beter zijn!"

Naakt stond hij tussen and're naakten
- zo wou 't der beulen gruw'lijkheid -
hij wist: nooit kon men hem ontnemen
de mantel der gerechtigheid!
En hoe men hem ook sarde striemde,
hij deed als prediker zijn plicht,
en bracht in moegetobde harten
een zonnestraal van Godd'lijk licht.

Hij is in Duitsland omgekomen,
daar nam hem God zijn leven af...
Hij heeft een and're taak ontvangen,
want 't leven eindigt nooit in 't graf.
Nu zingt hij mee in 't koor der heil'gen;
wordt ook door hem de lof vergroot
van God, die met Zijn heil wil kronen
elk, die getrouw blijft tot den dood!

 

 

 

In "De Rotterdammer" van mei 1945 stond onderstaand artikel ter nagedachtenis aan Dominee Versteegt:

 

 

Na het overlijden van Dominee Versteegt kreeg zijn vrouw Bets (zie foto) vele (schriftelijke) steunbetuigingen van lotgenoten van hem uit de verschillende kampen. Uit deze brieven komt sterk naar voren dat hij een steun en toeverlaat voor hen was in die bijzonder moeilijke periode.   


In een radiotoespraak keek Prof. J. Kamphuis later nog eens terug op het leven en werk van Dominee Versteegt.
U kent de tekst van deze toespraak hier lezen.

 

Voor het laatst bijgewerkt op: 26-04-14